Opmerking van een zorgleerkracht in de steinerschool (dec.
2017):

De voorbije weken heb ik enkele lessen dynamisch tekenen
gegeven in de eerste klas (zie https://cielen.eu/vakken/schrijven/leren%20schrijven.html).

Wat opvalt is dat zij de bewegingen kunnen maken maar dat er
veel energie gaat naar de werkhouding van de kinderen. Het is ook belangrijk om
het tempo en de kwaliteit van het maken van de oefening zelf in handen te
nemen. Belangrijk lijkt mij, is om niet te vlug naar het zelfstandig werk over
te gaan. Een te korte instructie en het te vlug loslaten van het klassikale
gedeelte leidt naar te veel zorg nadien.

Ondertussen heb ik ook je tekst doorgenomen. Wat me vooral
opvalt, is dat je voortdurend uitgaat van het kunstzinnige en minder vanuit een
stap voor stap aanpak. Je waagt het om uit te gaan van woorden met meerdere
lettergrepen, woorden met een doffe e, rijke zinnen waar iets moeilijkere woorden
niet vermeden worden, enz. wat in andere methodieken vermeden wordt.

In ieder geval is wat je aanreikt, doordacht en ook rijk aan
beeldend materiaal. Elke klasleraar die een eerste klas start in een
steinerschool kan ik alleen maar aanraden om jouw werk vooraf te lezen.

—-
Reactie

Het is natuurlijk moeilijk om je na enkele lessen dynamisch
tekenen al een goed oordeel te kunnen vormen, maar wat je schrijft stemt wel
overeen met mijn ervaring in klassen waar ik korte tijd een leerkracht verving
en waar dit ook als nieuwe oefenstof gegeven werd. Nochtans komen de meeste
kinderen er na enkele dagen/weken in de eerste klas wel toe om ondanks de korte
instructie zelfstandig aan het werk te gaan en voldoende resultaat te bereiken.
Dit was het meest duidelijk in combinatieklassen, waar de kinderen
noodgedwongen snel zelfstandig moesten werken.

Daarom is het nodig om met de volgende punten rekening te
houden:

Niet ieder kind moet elke oefening perfect kunnen maken. Er
mogen – zeker in de loop van de eerste weken – veel gebreken in de tekeningen
te zien zijn. De meeste kinderen verkrijgen net dankzij deze oefeningen meer en
meer controle over hun fijne motoriek en slagen er geleidelijk steeds beter in
de tekeningen min of meer correct te maken.

De korte instructie is nodig omdat je daarmee de sterke
kinderen stimuleert. Het is een uitstekende pedagogische regel om klassikaal
les te geven op het niveau van de sterkste leerlingen en zelfs op een niveau
dat ook voor deze kinderen iets te hoog ligt. Doe je dit niet dan haken net
deze kinderen het snelst af. Opvoeden = erziehen = optrekken. Je moet ze dus
altijd naar een hoger niveau trekken. Zwakkere leerlingen krijgen daarna veel
individuele hulp en begeleiding. Zo moet onderwijs in schoolverband trouwens
altijd zijn: korte instructie voor de sterksten van de klas, véél tijd om de
anderen te helpen en waarbij dezen niet per se het niveau van de sterksten
moeten bereiken. Een klas kan niet anders dan een grote diversiteit uitstralen,
want geen twee kinderen zijn gelijk. Die diversiteit is trouwens een noodzaak
om kinderen elkaar te leren helpen. Dat lukt maar als je hen daar voldoende
tijd voor geeft.

De klassikale taak van de leerkracht is kort, de individuele
taak is lang. Daarmee is differentiatie een vanzelfsprekend gegeven en iedere
leerkracht moet zich daarvan bewust zijn en moet alles in het werk stellen om
te kunnen differentiëren. Te veel klassikaal werken is funest zowel voor de
sterke als de zwakke leerlingen.

Het is een absolute noodzaak om de kinderen vanaf het begin
van de eerste klas een grote zelfstandigheid te gunnen. Lukt dit, dan heb je
als leerkracht zeeën van tijd voor individuele begeleiding.

Om van het dynamisch tekenen te komen tot het verbonden
schrift is dagelijkse oefening noodzakelijk. Met één of twee keer per week 3
oefeningen te geven lukt het niet.

Deze visie, namelijk lesgeven voor de sterksten en véél hulp
geven aan de zwakkeren is ook het uitgangspunt voor het leren lezen.

De reguliere leesmethodes gaan uit van een onderschatting
van de kinderen.

Ik ga uit van die kinderen die al kunnen lezen of het al een
(klein) beetje kunnen. Zij nemen de anderen mee op sleeptouw. Maar daarvoor is
het nodig om alle noodzakelijke elementen om tot lezen te komen dagelijks te
oefenen: visuele analyse en synthese, auditieve analyse en synthese.

Deze analyse- en syntheseoefeningen gebeuren deels ook samen
met schrijven: noteren (aanvankelijk in blokletters) wat gehoord is en het
genoteerde samenvoegen tot een nieuw woord.

Meerlettergrepige woorden vormen geen enkel probleem voor
beginnende lezers, zoals ik meermaals ondervonden heb. Als je een fabel zoals
bijvoorbeeld de vos en de ooievaar verteld hebt en je laat in
de tekst de woorden vos en ooievaar opzoeken, dan slagen bijna alle kinderen er
onmiddellijk in, net omdat het woordbeeld zo verschillend is.

Ik heb zeer goede ervaringen met het maken van rijen met woorden in het meervoud. Omdat in het Nederlands ontzettend veel woorden op -en
eindigen is dit eigenlijk vanzelfsprekend. In het meervoud kun je zowel
zelfstandige naamwoorden als werkwoorden oefenen. Het eerste deel van het woord
is dan zoals in alle leesmethodes eenvoudig (MKM) en het tweede deel is altijd
hetzelfde. Het voordeel daarvan is dat de kinderen bij het lezen heel dikwijls
een vertrouwd woorddeel tegenkomen, wat zeer stimulerend is. De eerste
lettergreep gaat dan soms wat moeizaam, maar de tweede lettergreep is
spotgemakkelijk.

Het leren van woorden in de meervoudsvorm in de eerste klas is een
enorme hulp bij het spellen van open en gesloten lettergrepen in de tweede
klas. Het is dan niet nodig om te gaan vertellen dat er een letter is gaan
vliegen in de open lettergrepen en dat er een letter moet verdubbeld worden in
de gesloten lettergrepen.

De stemloze e (de sjwa) is een van de meest voorkomende
klanken in het Nederlands. Het is dan ook niet zinvol om met deze klank lang te
wachten. Woorden als ‘de’ en ‘het‘ kunnen kinderen heel snel
herkennen, wat het lezen ook weer vergemakkelijkt. Zie ook de eind-en van de
woorden in het meervoud.

Nog een uitgangspunt bij het schrijven (en lezen) is
dit:

Zodra de kinderen het verbonden schrift enigszins beheersen,
schrijven ze (bijna) dagelijks een kort opstel. Dus vanaf de eerste klas (derde
trimester, sommige kinderen eerder) en ten laatste vanaf de tweede klas. Dit is
een enorme hulp bij het leren spellen én bij het lezen, want hun eigen teksten
moeten ze na de correctie ervan ook luidop voorlezen. Ik heb vastgesteld dat
het veelvuldig schrijven van opstellen op korte tijd leidt tot een goede spelling.
Er hoort wel één belangrijke opmerking bij: de kinderen hoeven hun tekst nooit
over te schrijven, dat doet de leerkracht voor hen met een tekstverwerker,
zodat de kinderen hun eigen opstel daarna ook kunnen voorlezen vanaf een
gedrukte tekst. In een latere fase tikken de kinderen zelf hun gecorrigeerde
tekst over.

Teksten in periodes als geschiedenis, aardrijkskunde, enz.
schrijven de kinderen steeds met de hand, niet getikt.