Tussen schoolrijpheid en puberteit beleeft het
lagereschoolkind het hoogtij van zijn gevoelens; het zweeft als in een
overweldigende droomwereld tussen liefde, haat, vreugde, smart, enthousiasme,
afkeer en bovenal empathie, terwijl zijn denken en zijn kritisch vermogen
geleidelijk wakker worden.

De wereld van de lagereschooltijd is dan ook bij uitstek een
gevoelswereld die heen en weer drijft tussen de uitersten van sympathie en
antipathie. Het is de tijd van de leerkracht-kunstenaar, van de fantasievolle denker,
van de meeslepende beeldende verteller, van de lyrische poëet, van de hemelse
zanger-muzikant, kortom van hij of zij die een stroom van sympathie weet op te
wekken. Een leerkracht die niet ‘vanuit de buik’ kan lesgeven, hoort hier niet
thuis. Wie niet kan enthousiasmeren om alzo de kinderen aan te zetten tot leren
en werken bereikt niets: hij of zij is de saaie leerkracht, de droogstoppel, de
pedant; degene die alleen maar antipathie opwekt bij de leerlingen.

Sympathie helpt de kinderen om zich met de opdrachten en de
leerinhouden te verbinden en zet hen aan om aan het werk te gaan. Zij is de
verleidster van de wil en daarmee het allerbelangrijkste wat een lagere school
kan bereiken: het vormen van wilskrachtige kinderen. Vanuit sympathie ontstaan
de mooie ‘kunst’werkjes die de kinderen maken: prachtige tekeningen, sfeervolle
schilderijen, mooi verzorgde taal- en rekenschriften en rijk geïllustreerde
periodeschriften. Sympathie zet aan tot het creëren van schoonheid en het
bewonderen van eigen en andermans werk, want sympathie bekritiseert niet, maar
gaat mee in de beleving. Zo ontstaat uit sympathie een hechte sociale band, zo
waardevol voor een gelukkig en kunstzinnig leven.

Maar leren zonder antipathie lukt niet. Wie steeds maar op
de sympathiestroom meesurft, ontwikkelt te weinig inzicht en te weinig kennis.
Want leren gaat gepaard met catharsis. Uit de sympathiekrachten ontstaat de
drang om te leren, te ontdekken. Maar leerstof geeft zich niet zomaar prijs;
hij vergt inspanning en roept weerstand – antipathie – op. Zodra die dankzij de
wilsinzet overwonnen is, ontstaat er een nieuw en hoger gevoel van sympathie.

Welk kind komt niet in de eerste klas met de hoge
verwachting: ‘Nu ga ik leren lezen en schrijven en rekenen’? Er is niets dan
sympathie bij aanvang van die eerste klas. Maar dan komt het werk: leren lezen
loopt via moeizame analyse en synthese, rekenen kan niet zonder heel veel
oefenen, schrijven vraagt inspanning en geduld; de eerste antipathiekrachten
openbaren zich al snel met: ‘Juf, dat kan ik niet’ of ‘ik ben moe’ of ‘ik heb
buikpijn’ of ‘moet dat?’! Maar zie: opeens zegt een eersteklasser: ‘Daar staat
‘STOP’’ of ‘hé, ik heb mama geschreven’ of ‘3 x 4?
Poepsimpel, dat is toch gewoon 12’! Een nieuwe sympathiestroom is ontwaakt en
moedigt aan om verder te gaan.

Sympathie en antipathie gaan hand in hand bij het leren in
de lagere school. Uit het evenwicht tussen beide ontstaat de heerlijkste
leertijd die een mens kan beleven: de lagereschooltijd. En die is énig.

https://www.cielen.eu