DE OCHTENDSPREUK IN DE STEINERSCHOOL

Ook al heeft Rudolf Steiner herhaaldelijk gezegd dat er in de
Waldorfschool (= Vrijeschool = Steinerschool) geen antroposofie gegeven wordt –
in zijn eigen woorden: ‘We zullen in onze lessen geen antroposofische dogma’s
onderwijzen’
, toch heeft hijzelf van bij het ontstaan van de school zijn
antroposofische leer in de school binnengebracht. In mijn blog Is de steinerschool een antroposofische
school? deel 1
van 20/01/2017 heb ik drie voorbeelden gegeven van hoe zijn
mens- en wereldbeeld toch aanwezig is in de leerstof. In mijn blog van 2
februari 2017 heb ik de ochtendspreuk in de eerste, tweede en derde klas (groep
3,4 en 5) onder de loep genomen. In dit
derde deel komt de ochtendspreuk voor de klassen 4 tot en met 12 aan de beurt.

DE OCHTENDSPREUK IN
DE STEINERSCHOOL

In de ochtendspreuk die dagelijks bij aanvang van de
schooldag door de leerlingen gezegd wordt onder leiding van de leerkracht,
klinkt duidelijk de antroposofische leer door.

De tekst van de ochtendspreuk voor de klassen 4, 5, 6, 7, 8,
9, 10, 11 en 12. Dit zijn de hoogste drie klassen van de lagere school en alle
klassen van de middelbare school (voortgezet onderwijs).

In tegenstelling tot de spreuk voor de klassen 1-2-3 is de Nederlandse
tekst van deze spreuk minder aan varianten onderhevig. Slechts hier en daar zijn
er kleine verschillen.

De tekst hieronder heb ik gevonden op www.steinerschoolantwerpen.be
(2016). Varianten staan er tussen haakjes naast. De Nederlandse variant komt
van de site van de Utrechtse Vrijeschool (2010).

Ik zie rond in de wereld,
waarin de zon haar licht zendt,
waarin de sterren fonkelen,
waarin de stenen rusten,
de planten levend groeien,
de dieren voelend leven,
waarin de mens bezield
de geest zijn woning geeft; (de geest een woning geeft)

Ik schouw diep in mijn ziel, (NL: Ik schouw diep in de ziel)
die binnen in mij leeft,
De Godesgeest, hij weeft
in zon- en zielenlicht,
in wereldruimten buiten,
in zielendiepten binnen.

Tot u, o Godesgeest,
wil ik mij vragend wenden,
dat kracht en zegen, (dat kracht en zegening) (NL: dat in
mij kracht en zegen)
voor leren en voor arbeid,
zich in mijn ziel ontplooien. (NL: tot wasdom moge komen)

De originele Duitse tekst van Rudolf Steiner uit 1919 ziet er zo uit:

Ich schaue in die Welt
In der die Sonne leuchtet,
In der die Sterne funkeln,
In der die Steine lagern,
Die Pflanzen lebend wachsen,
Die Tiere fühlend leben,
In der der Mensch beseelt
Dem Geiste Wohnung gibt.

Ich schaue in die Seele
Die mir im Innern lebet.
Der Gottesgeist, er webt
Im Sonn’- und Seelenlicht
Im Weltenraum, da drauβen
In Seelentiefen drinnen.

Zu Dir, o Gottesgeist,
Will ich bittend mich wenden
Dass Kraft und Segen mir
Zum Lernen und zur Arbeit
In meinem Innern wachsen.

De aanhef van deze spreuk geeft een opsomming van de vier natuurrijken
– minerale rijk, plantenrijk, dierenrijk, mensdom – met wat extra kosmische verwijzing
naar zon en sterren. Al lijkt dit een objectieve opsomming, toch is dit niet
zo, want alleen de mens blijkt een ziel te hebben. Daarmee is dan ook meteen
het onderscheid tussen mens en dier gemaakt zoals dit in de antroposofie – en in
sommige filosofische strekkingen en religies – gemeengoed is.

Maar ik zie toch nog twee niet onbelangrijke onvolkomenheden
in deze opsomming.

1. De stenen rusten.
Voor een oppervlakkige beschouwer lijkt het inderdaad of de stenen gewoon
liggen of rusten. Maar in feite is dat niet zo: stenen ondergaan vele invloeden
van klimaat, weer, bewegingen van de aardkorst, waterstromen enz. Denk
bijvoorbeeld aan kalk, dat in overgrote mate aanwezig is op aarde. Dit
gesteente rust absoluut niet. Het is continu aan verandering onderhevig.
Bovendien is het zelf uit levende wezens ontstaan en wordt het ook voortdurend
door levende wezens opgenomen en uitgescheiden. Maar zelfs basalt en graniet –
oergesteenten van de aardkorst – zijn voortdurend in beweging, al lijkt dat
binnen de duur van een mensenleven dikwijls niet zo. Gesteenten, onder de vorm
van mineralen, maken trouwens inherent deel uit van het leven op aarde.
Planten, dieren en mensen nemen mineralen op en geven die ook af.

2. De planten levend
groeien, de dieren voelend leven
. En waar zijn de zwammen? In Steiners
dagen werden de zwammen nog tot de planten gerekend, maar dat is nu al vele
decennia niet meer zo. De spreuk is dan ook niet volledig, er zou tenminste één
regel over de zwammen moeten toegevoegd worden. Zoals de tekst nu luidt, zeggen
de leerlingen gedurende negen jaar een opsomming die niet correct is.

Dat de dieren een gevoelsleven hebben, kunnen we gemakkelijk
vaststellen, maar hebben de planten dan geen gevoelsleven? Steiner wil
duidelijk een gradatie aanbrengen:

De stenen
doen niets, die liggen er maar;
De
planten leven (hier is er nog geen sprake van voelen);
De dieren
voelen (ze leven dus én voelen, maar hebben geen ziel);
De mens
heeft een ziel (de mens leeft, voelt én heeft een ziel).

Na de opsomming van de natuurrijken (zij het zonder de
zwammen) volgt het summum: het rijk van de geest: waarin de mens bezield de geest een woning geeft. De geest staat
dus boven alles. Tegelijk wordt hier een antroposofische geloofsbelijdenis
uitgesproken: de ziel van de mens is de woning van de geest. In Vlaamse
steinerscholen zegt men meestal: de geest zijn
woning geeft. Hiermee zegt men expliciet dat de geest een wezen is dat in de ziel
van de mens woont, en lijkt het ook alsof de geest niet zonder die mensenziel
kan, want hij heeft haar nodig zoals de mens een woonst nodig heeft.

In de tweede strofe wordt het antroposofisch gedachtegoed
klaar en duidelijk uiteengezet. In de ziel van de mens leeft (weeft) de geest
van God net zoals hij in de wereld en in de kosmos werkt.

De derde strofe is een gebed tot die goddelijke geest met de
vraag om de mens kracht te geven om te leren en te werken. En tegelijk is het
een vraag om dit leren en dit werk te zegenen. Op de site van de Antwerpse Steinerschool
staat nochtans dat deze spreuk geen gebed is: ‘Dit bezinnen met een spreuk onderscheidt zich in wezen van het gewone
bidden, dat een bijzonder geloof veronderstelt
.’ Gaat het in deze spreuk
dan niet om een geloof? Volgens de antroposofen inderdaad niet want antroposofie
is geen geloof, maar een wetenschap van de geest. Helaas is antroposofie een
wetenschap die slechts door één persoon bedreven werd en nog nooit door anderen
herhaald is, ondanks het feit dat Steiner een ‘methode’ heeft gegeven om net
als hem tot inzicht in de geestelijke wereld te komen. Dit wil zeggen dat iedere
antroposoof een gelovige is die aanvaardt dat wat Steiner over de geestelijke
wereld zegt, waarheid is. Is het gerechtvaardigd dat men kinderen en jongeren
gedurende negen jaar dagelijks deze geloofsbelijdenis laat opzeggen?

Omdat het zeggen van de ochtendspreuk een verplichting is in
de steinerscholen, verkondigen kinderen en jongeren gedurende negen jaar
dagelijks deze antroposofische mens- en wereldvisie. Een schooljaar telt gemiddeld 180 schooldagen.
Negen jaar maal 180 is 1.620. De leerlingen zeggen dus 1.620 keer in hun jonge leven
deze antroposofische tekst. Noemt men dat niet indoctrinatie?

Gelukkig beseffen de meeste leerlingen niet wat er gezegd
wordt in deze spreuk. Ofwel omdat ze te jong zijn om de inhoud ervan te
begrijpen ofwel omdat ze er als puber of adolescent geen belang aan hechten.
Mijn kinderen vonden het een van de eigenaardige gewoonten van de steinerschool
– te vergelijken met het kruisteken in de katholieke scholen – en hechtten er
verder geen belang aan, al kunnen ze twintig jaar na afzwaaien de tekst nog
bijna volledig uit het hoofd opzeggen.

Ondanks de verplichting tot het zeggen van de ochtendspreuk
heb ik me – leraar zijnde in steinerscholen – al meer dan twintig jaar niet aan
die verplichting gehouden omdat ik het niet eens ben met de inhoud ervan. Men
kan toch moeilijk van een leerkracht verlangen dat hij dagelijks zijn eigen
inzichten en overtuigingen overboord gooit en iets verkondigt waar hij niet
achter staat. De steinerscholen beweren trouwens dat ze opvoeden tot vrije
mensen – of zoals een steinerschool zich propageert: Kind mogen zijn om vrij mens te worden – dan moeten ze ook
accepteren dat leerkrachten die zover gekomen zijn ook afstand mogen (moeten) nemen
van geloofsovertuigingen die niet de hunne zijn.

——–

Op 19 augustus 2017 schreef
Pieter Witvliet op zijn blog https://vrijeschoolpedagogie.com/2017/08/19/vrijeschool-rudolf-steiner-over-de-ochtendspreuk/ het volgende:

De leerlingen op de vrijeschool beginnen iedere morgen de
schooldag met de zgn. ochtendspreuk. Vanaf klas 1 t/m klas 4 de ene, vanaf klas
5 t/m klas 12 de andere.
(Omdat er in klas 4 voor het eerst aardrijkskunde wordt gegeven, is de gewoonte
ontstaan met de tweede spreuk te beginnen, die de beginwoorden heeft: ‘Ik zie
rond in de wereld’, als met de 1e aardrijkskundeperiode wordt begonnen. Dat
heeft ertoe geleid dat deze spreuk (soms) al vanaf het begin van klas 4 wordt
gesproken; oorspronkelijk was dit dus vanaf klas 5)

Wanneer de 1e vrijeschool op 7 september 1919
in Stuttgart begint, bestaan de spreuken voor de leerlingen nog niet. In de
cursus die Steiner geeft vóór het starten van de school, vind je niets over
spreuken.
Dat gebeurt een aantal weken later op 25 september 1919 in een
lerarenvergadering waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.
De school was net begonnen en er waren natuurlijk talloze problemen op te
lossen – van technische, logistieke aard, tot inhoudelijke aan toe.

Op 20 augustus 1919 houdt Steiner aan de
vooravond van de cursus een welkomstoespraak voor de deelnemers. Hij geeft
daarin o.a. de opzet van de cursus aan:

Ten eerste: een doorlopende uiteenzetting
over algemeen pedagogische vragen
Ten tweede: een uiteenzetting over speciaal methodische vragen over de
belangrijkste vakken
Ten derde: een vorm van oefenwerk in het kader van wat onze onderwijsdoelen
moeten zijn. Die zullen we uitwerken en erover discussiëren.

Iedere dag zullen we ’s ochtends het meer
theoretische deel hebben (te vinden in GA 293: Algemene menskunde; GA 294: Opvoedkunst
methodisch-didactisch) en ’s middags dan het seminaarwerk (GA 295: Praktijk van
het lesgeven). We zullen dus morgen beginnen om 9 uur met de algemene
pedagogiek, om half 11 de speciale methodiek en ’s middags van 3 tot 6 de
seminaaroefeningen.

We moeten ons vol bewustzijn dat er in iedere
richting een grote cultuurdaad verricht moet worden.

Wij willen hier met de vrijeschool geen
wereldbeschouwelijke school openen. De vrijeschool moet geen
wereldbeschouwelijke school zijn waarin we de kinderen zoveel mogelijk
volstoppen met antroposofische leerstellingen. Wij willen geen antroposofische
leerstellingen aanleren, maar wij streven ernaar de antroposofie in de praktijk
toe te passen. Wij willen dat wat op antroposofisch gebied gewonnen kan worden,
omwerken tot werkelijke onderwijspraktijk.

Op de theoretische inhoud van de antroposofie
zal het veel minder aankomen dan op de practische uitvoering van wat in
pedagogische richting in het algemeen en in de speciale methodiek in het
bijzonder uit de antroposofie kan komen, hoe antroposofie over kan gaan in
lesgeven.

GA 300A/63

Op veel meer plaatsen – niet alleen in de
pedagogische voordrachten – herhaalt Steiner telkens dat het
vrijeschoolonderwijs geen wereldbeschouwelijk onderwijs moet zijn.

Dan zal hij ook vaak aangeven dat de
vrijeschool gelegenheid moet bieden aan ‘de kerk(en)’ om godsdienstonderwijs te
geven door haar vertegenwoordigers.

Het godsdienstonderwijs is voorbehouden aan
de religieuze gemeenschap. Antroposofie gebruiken we alleen in de methode van
lesgeven. We zullen dus de kinderen over de godsdienstleerkrachten van de
geloofsrichtingen verdelen.

GA 300A/63

Wanneer de school op 7 september van start
gaat, is er in het leerplan plaats ingeruimd voor dit confessionele
godsdienstonderwijs.
Op 8 september al, in de eerste pedagogische vergadering, is ook al sprake van
‘vrij godsdienstonderwijs’ dat uiteraard wél antroposofisch onderwijs genoemd
moet worden, omdat het door (antroposofische) ouders wordt gewild. Daarmee
wordt niet meteen begonnen: het wordt verschoven naar 23 september. Op die dag
is er echter geen vergadering – er zijn geen notities van – maar wél van 25
sept.
Op zeker ogenblik zegt Steiner: ‘We moeten nog over het vrije
godsdienstonderwijs spreken’.
En dan gaat het over wat je van antroposofie wel of niet aan de kinderen die
daar speciaal aan meedoen, moet vertellen of niet. Vóór een leerkracht een
vraag stelt, zei Steiner: ‘De weekspreuken kun je ook met de kinderen aan
het begin van de les zeggen.

Daarop vraagt een leekracht: ‘Zou het niet
goed zijn de kinderen een soort morgengebed te laten spreken? Steiner antwoordt
dat je dat zou kunnen doen en wil er de volgende dag op terugkomen.

Dat doet hij inderdaad op 26 september, maar
nadat iemand heeft voorgesteld ’s morgens met het Onze Vader te beginnen.

X. stelt voor om ‘s morgens met het Onzevader
te beginnen.

Hier is eerst sprake van een spreuk voor de 4
laagste klassen. Een dag eerder heeft Steiner al over het vrije godsdienstonderwijs
gesproken en een indeling gemaakt voor de klassen 1 t/m 4 en 5 t/m 8, op dat
ogenblik alle bestaande klassen.
Dit alles overziend krijg ik sterk de indruk dat de spreuken zoals ze nu in
alle vrijescholen iedere dag door alle kinderen gesproken worden,
oorspronkelijk bedoeld waren voor de kinderen die het vrije godsdienstonderwijs
zouden volgen, dus onderwijs waarin antroposofie als wereldbeschouwing een rol
speelt.

De vraag is nu, waarom deze spreuken dan
algemeen zijn geworden en sinds wanneer. In 1921 zegt Steiner:

De leraar komt ’s morgens dus, op de
beschreven manier voorbereid, het schoolgebouw binnen. De kinderen komen ’s
zomers iets vroeger, om acht uur, en ’s winters iets later. Nadat zij zich in
de klassen verzameld hebben, begint iedere leraar, iedere lerares in de klas
met een spreuk, die een alge­meen menselijke en ook religieus getinte inhoud
heeft. Die spreuk wordt gezegd of gezongen, maar gelijktijdig met een soort
gebedskarakter, en door de hele klas in koor. Een echt gebed kan daarop volgen.
De details worden in onze vrij­eschool altijd volledig aan de individualiteit
van de betref­fende leraar overgelaten.
Dan begint het zogenaamde hoofdonderwijs, ( )

GA 303/140
Vertaald/153

Ik weet niet of ‘met een spreuk’ hier
betekent met ‘de’ spreuk, zoals nu het geval is. Als ‘de details’ betekent dat
je als leerkracht je eigen spreuk kon/kan kiezen, zou dat nog ergens te
achterhalen moeten zijn. Ik weet het op dit ogenblik niet.
Het is voor nu ook niet zo wezenlijk, want de spreuken worden gezegd en
interessanter is het ‘waarom’.

Ik zou het erg mooi vinden de les met het
Onzevader te beginnen. Dan gaat u over tot de spreuken die ik U zal zeggen.
Voor de vier laagste klassen verzoek ik de spreuk op de volgende manier te
zeggen:

Het liefdelicht der zon,
Verheldert mij de dag;
De geestesmacht der ziel,
Geeft kracht aan hand en voet;
In de lichtglans van de zon
Vereer ik diep, o God,
De mensenkracht, die Gij
In mijn ziel
Vol goedheid hebt geplant,
Opdat ik ijverig werken
En gretig leren kan.
Van U stamt licht en kracht,
Tot U strome liefde en dank.

Dat zouden de leerlingen zo moeten beleven,
als ik het gesproken heb. Ook moet je ze stap voor stap duidelijk maken – eerst
moeten ze de woorden in zich opnemen – wat het verschil is tussen wat buiten
hen is en in hun innerlijk.

Het liefdelicht der zon,
Verheldert mij de dag;
De geestesmacht der ziel,
Geeft kracht aan hand en voet;

Het ene merk je al waarnemend, hoe de zon de
dag verlicht; het andere is het gevoel in je ziel, hoe dat naar je ledematen
gaat. Geest, ziel en lichaam: dat zit in deze zin.

In de lichtglans van de zon
Vereer ik diep, o God,
De mensenkrach,t die Gij
In mijn ziel
Vol goedheid hebt geplant,
Opdat ik ijverig leren
En gretig leren kan.
Van U stamt licht en kracht,
Tot U strome liefde en dank.

Dit dus vererend naar allebei. Dan nog een
keer gericht op beide:

Van U stamt licht en kracht (de zon)
Tot U strome liefde en dank (vanuit het innerlijk)

Zo bedoel ik, moeten de kinderen het beleven:
naar het goddelijke in het licht en in de ziel.
U moet proberen met dit gevoel waarmee ik het voorgelezen heb, het met de
kinderen samen in koor te spreken. Eerst leren de kinderen alleen de woorden,
zodat ze woord, maat en ritme hebben. Pas later legt u bij gelegenheid wat uit:
nu willen we eens kijken wat daarin staat. Niet eerst verklaren, ook niet te
veel de nadruk erop leggen dat de kinderen het uit het hoofd kennen. Door het
gebruik, zullen ze het langzamerhand uit hun hoofd leren. Ze moeten het eerst
als vorm van u naspreken. Wanneer het een poos, vier weken wat mij netrreft,
slecht gaat, zal het later des te beter gaan. De groteren kunnen het wel
opschrijven; met de kleintjes moet je het langzaam aanleren. Niet eisen dat ze
het van buiten leren! Wanneer u het voor hen opschrijft, is dat mooi; dan staat
het in uw handschrift.

De spreuk voor de vier hogere klassen geef ik
u morgen nog.

De spreuk voor de vier hogere klassen luidt
zo:

Ik zie rond in de wereld;
Waarin de zon haar licht zendt,
Waarin de sterren fonkelen;
Waarin de stenen rusten,
De planten levend groeien,
De dieren voelend leven,
Waarin de mens bezield
De geest een woning geeft;
Ik schouw diep in de ziel,
Die binnen in mij leeft.
De godesgeest, hij weeft
In zon- en zielelicht,
In wereldruimten, buiten,
In zielediepten, binnen
Tot u, o godesgeest,
Wil ik mij vragend wenden,
Dat kracht en zegening
Voor leren en voor arbeid
Tot wasdom moge komen.

De teksten zijn hier precies naar de
handschriften weergegeven, behalve de alinea’s in de eerste spreuk die
Dr.Steiner waarschijnlijk bij het dicteren tot uitdrukking heeft gebracht,
volgens het stenogram. Het is niet uitgesloten dat hij ‘liefdeslicht’
gedicteerd heeft.
GA 300A/96-97

Noot: De originele Duitse teksten heb ik in dit fragment uit P. Witvliets blog
weggelaten. De vertalingen zijn van P. Witvliet.