Op woensdag 20 augustus 1919, op de vooravond van de aanvang
van de cursus die Steiner gaf voor de toekomstige leraren van de Waldorfschool in
Stuttgart, zei hij:

“We willen hier in de Waldorfschool geen
wereldbeschouwelijk onderwijs geven. De Waldorfschool moet geen school zijn
waarin een bepaalde wereldbeschouwelijke overtuiging geleerd wordt, waarin we
de kinderen met antroposofische dogma’s volproppen. We zullen in onze lessen geen antroposofische dogma’s onderwijzen.
Antroposofie is geen lesinhoud – we streven ernaar de antroposofie in praktijk
te brengen. We zullen de inzichten die de antroposofie ons schenkt omzetten in
werkelijke lespraktijk.”

Deze tekst komt uit de lezingencyclus Algemene menskunde als basis voor de
pedagogiek
.

Helaas was Steiner niet erg consequent, want reeds in
de opleidingscursus die hij bij aanvang van die allereerste steinerschool
(Waldofschool ofte Vrijeschool) gaf, verwerkte hij antroposofische dogma’s.

Drie voorbeelden.

Het vak mens- en dierkunde dat Steiner voorschreef
voor de vierde klas van de lagere school, begint met het antroposofische
mensbeeld. De dierenwereld deelt hij, in analogie met het driedelige mensbeeld,
in in kopdieren, borstdieren en rompdieren. De voorbeelden die hij gaf, worden
nog steeds in alle steinerscholen onderwezen: de inktvis als kopdier, de
adelaar en leeuw als borstdieren en het rund als rompdier. Zeldzaam zijn de
leerkrachten die van deze richtlijn afwijken en zich meer richten op de
wetenschappelijke indeling van de dierenwereld.

In de vijfde klas raadde Steiner aan om plantkunde te
geven. Inhoudelijk deelt hij de plantenwereld op in vergelijking met de
ontwikkelingsfasen van de mens. Hij begint dan met de paddenstoelen (zwammen):
zij zijn de baby’s in de plantenwereld. Zo bouwt hij de plantenwereld verder op
tot de tweezaadlobbige planten die hij vergelijkt met de jonge mens die tot
seksuele rijpheid is gekomen. Dat deze indeling niet helemaal overeenstemt met de
wetenschappelijke indeling, schijnt niemand in de steinerscholen te hinderen.

Steiners benadering van dier- en plantkunde kun je een
kunstzinnige benadering noemen. Die is mooi en waardevol, maar ze is slechts één
mogelijkheid. Als leerkracht moet je ook het andere, het wetenschappelijke aspect,
onderrichten.

De geschiedenislessen in vijfde en zesde klas zijn volledig
gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid,
en dan vooral na de ondergang van Atlantis, dat hij niet als een legende beschouwt,
maar als een werkelijk gebeurd feit. Vijf na-Atlantische cultuurperiodes zijn
er volgens hem tot op heden geweest. In de geschiedenislessen adviseert hij dan
ook om met Atlantis te beginnen*, gevolgd door de Oer-Indische cultuurperiode, de
Oer-Perzische cultuurperiode, de Egyptisch-Babylonische cultuurperiode, en de Grieks-Romeinse
cultuurperiode. De vijfde – onze huidige cultuurperiode – noemt hij de
Anglo-Germaanse cultuurperiode, maar die komt vanaf de zevende klas aan bod.
*Het advies om met Atlantis te beginnen geeft hij niet letterlijk voor de vijfde klas, maar als je de cultuurtijdperken zoals hij die opgeeft wil brengen in deze klas, dan kun je niet anders dan met Atlantis beginnen. Voor de achtste klas geeft Steiner wel het advies om over Atlantis te spreken.

Lerarenvergadering met Steiner van 25 september 1919:
X.: Wo soll man anfangen mit der Geschichte?

Dr. Steiner: Sie werden fast bei jeder Klasse mit der Geschichte von vorne anfangen müssen. Beschränken Sie einfach den Unterricht nach Bedarf. Wenn Sie zum Beispiel im 8. Schuljahr genötigt sind, von Anfang an zu beginnen, dann nehmen Sie eben wenig, aber versuchen doch, ein Gesamtbild zu geben über die ganze Entwicke­lung der Menschheit, nur kürzer. Also man müßte schon im 8. Schul­jahr die ganze Weltgeschichte durchmachen in unserem Sinn.
Das trifft auch zu für Physik. In der Naturgeschichte wird es sich sehr leicht machen lassen, daß die Kinder das, was sie gelernt haben, benützen und beleben. Es sind nur diejenigen Fächer, die diesem Mangel unterliegen werden, von denen wir gesagt haben, daß sie nach dem zwölften Jahre anfangen, wo die Urteilskraft beginnt. In den beschreibenden Disziplinen wird man manches benützen können, was die Kinder, wenn auch vertrackt, gelernt haben.

Wir gehen davon aus, daß die britischen Inseln viermal auf- und abgestiegen sind. Das ist einfach geologisch festzustellen an den Schichten. Wir versuchen also, diese Dinge in Zusammenhang zu stellen, aber wir dürfen nicht davor zurückschrecken, bei den Kindern von dem atlantischen Land zu sprechen. Wir dürfen das nicht überspringen. Auch im geschicht­lichen Zusammenhang können wir daran anknüpfen. Nur werden Sie dann die gewöhnliche Geologie desavouieren müssen. Denn die atlantische Katastrophe muß ja im 7. bis 8. Jahrtausend angesetzt werden.
Die Eiszeit, das ist die atlantische Katastrophe. Die ältere, mittlere und neuere Eiszeit, das ist nichts anderes als das, was vorgeht in Europa, während die Atlantis untersinkt. Das ist gleichzeitig, also im 7., 8. Jahrtausend.

Dat Steiner aanraadt om een cultuurgeschiedenis te geven vind ik
bijzonder waardevol. Maar de indeling in cultuurperiodes zoals hij dit doet
stemt helemaal niet overeen met wat wetenschappelijk onderzocht is.

Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.

Pieter Witvliet schreef een reactie op deze tekst. Je vindt hem op
https://vrijeschoolpedagogie.com/2017/02/22/vrijeschool-is-de-steinerschool-een-antroposofische-school/