Grenzen in de continentale ruimte en overgangen in de tijd
hebben voor kinderen iets mysterieus.

Een natuurlijke grens zoals die tussen land en zee is
vanzelfsprekend, maar grenzen op het land hebben iets speciaals. Ooit zei een
jongen uit de eerste klas op de eerste maandagochtend na de kerstvakantie: ‘Ik
ben twaalf keer in Duitsland geweest in de vakantie.’ In gedachten legde ik
onmiddellijk de link met de twaalf heilige nachten van de kersttijd en vroeg:
’Zijn jullie elke dag naar Duitsland gereden?’ ‘Nee, we zijn maar één dag
geweest, maar ik ben twaalf keer heen en weer gelopen over de grens.’ Het waren
spannende momenten, want er waren toen nog grenzen met grenspalen en slagbomen
en stoer kijkende douaniers. Maar wie heeft die grens bepaald?

In de vierde klas luisteren de kinderen naar dit verhaal:
Lang geleden, toen de meeste mensen nog niet konden lezen en schrijven, werden
de grenzen tussen dorpen op de volgende manier vastgelegd. Van elk dorp kwamen
enkele boeren op een afgesproken plek bijeen. Uit elk dorp was er ook een
kleine jongen mee. Daar waar de grens moest komen werd een paal in de grond
geslagen of een grote steen gelegd. Als alles geregeld was, namen de
dorpelingen de kleine jongens stevig onder handen; ze kregen een rammeling die
ze nooit van hun leven zouden vergeten. Waarom? Omdat ze telkens als ze in de
toekomst op die plek zouden komen – zelfs als paal of steen verdwenen waren –
zich zouden herinneren: hier heb ik een pak slaag gekregen; dus hier is de
grens. Grenzen zijn dus mensenwerk en hebben voor kinderen iets speels (sic).

Hoe zit dat met de grenzen, met de overgangen in de tijd?
Hebben de mensen die ook vastgelegd? Ja en neen en dat vernemen de kinderen in mijn
school beetje bij beetje gedurende hun lagereschooltijd.

Een ander kind vertelde na de kerstvakantie: ‘Ik ben wakker
gebleven tot de volgende dag.’ Maar wanneer begint de volgende dag? Is dat ’s
avonds na zonsondergang zoals het hier vroeger was – kerstavond is er nog een
restant van, want we vieren Kerstmis op de avond vóór Kerstmis – en bij de
Joden nog is. Of is het ’s morgens bij zonsopgang? En wie heeft bepaald wanneer
de volgende dag begint? Het is mensenwerk, en daardoor heeft het iets wispelturigs
en geheimzinnigs. In de tijd kun je niet heen en weer rennen zoals over de
grens. Je kunt niet twaalf keer heen en weer wippen over de tijdsgrens:
2016-2017-2016-2017 enz. Je kunt maar één kant op. De tijd kent trouwens geen
grenzen en zeker geen plotse afgelijnde grens; alles verloopt in geleidelijke
overgangen. Licht gaat via schemer over in duister en duister via schemer in
licht. Het is de mens die de tijd is gaan opdelen in dagen, uren, minuten,
seconden en nog veel fijnere onderverdelingen.

Kippen en konijnen hebben geen kalender. Voor hen, net als
voor de hele natuur, is er slechts een ritmische opeenvolging van licht en
duister: zij beleven de tijd als een rechtlijnig, eeuwig voortdurend gegeven.
Mensen beleven de tijd ook op die manier, maar hebben al millennia geleden een
andere beleving van de tijd ervaren; de tijd namelijk als cyclisch gegeven. Zij
stelden vast dat lente, zomer, herfst en winter in een vast schema
terugkeerden. Zo ontstond het jaarbesef.

In de geschiedenisperiode van de vijfde klas leren de
kinderen dat de Sumeriërs ontdekten dat de zon bij elke nieuwe lente doorheen
hetzelfde sterrenbeeld trok, en dat dit na ongeveer twaalf maanmaanden gebeurde.
Twee kalenders ontstonden: een zonnekalender en een maankalender. De
Egyptenaren stemden die twee kalenders op elkaar af: na 12 maanmaanden van 30
dagen schoten er vijf dagen over voor de zon weer op dezelfde plaats tussen de
sterren stond. Zij noemden dit de vijf schrikkeldagen. Dit waren de dagen
buiten de tijd, de dagen waarop de mensen niet mochten werken omdat het de
geboortedagen van de goden waren. Goden kennen immers geen tijd, zij zijn
tijdloos. Op de vijfde dag van deze schrikkeldagen werd Seth, de duivelse god,
geboren. Uit schrik en angst werd er vreselijk kabaal gemaakt om de duivel te
verdrijven. Zie je de link met ons vuurwerk op nieuwjaarsdag?

Maar waarom vieren we op 1 januari Nieuwjaar?

1 januari is nog niet zo heel lang nieuwjaarsdag. Joden
vierden en vieren nog steeds nieuwjaar in september, op het moment dat de oogst
binnen is en de velden klaargemaakt worden voor de volgende cyclus. Islamieten
vieren nieuwjaar telkens op een andere datum, want zij volgen een maankalender:
elke dertiende Nieuwe Maan is het voor hen Nieuwjaar. In hun land van oorsprong
kenden zij geen seizoenen, een cyclische zonnekalender had dan ook geen nut. Hun
jaar is daardoor gemiddeld elf dagen korter dan ons jaar. Een islamitisch kind
dat zijn zevende verjaardag viert, is dus nog geen zeven jaar oud. Hoe oud dan
wel? Andere culturen hebben nog andere nieuwjaarsdagen.

Aan de namen van de maanden ontdekken de kinderen in de
derde klas dat er iets mis met die namen. September betekent zevende, maar is
de negende maand. Oktober (= achtste) is de tiende, november (= negende) de
elfde en december (= tiende) is de twaalfde maand. Hoe komt dit? De oorzaak
vinden we bij de Romeinen en dat vernemen de kinderen later in de zesde klas.

Toen Rome nog een boeren- en herdersstad was, begon het
nieuwe jaar op 1 maart (nu zou dat 21 maart zijn, het begin van de lente). Het
jaar eindigde op de dertigste dag van februari, de dag waarop de goden
stierven. Duivels en demonen hadden dan vrij spel en moesten met veel kabaal
verjaagd worden (daar is het vuurwerk weer). Op 1 maart werden de goden, gelukkig
maar, herboren, want ze bestaan eeuwig en kennen geen tijd. Toen Rome een
republiek werd, werden er elk jaar twee consuls gekozen als leiders van de stad
en het rijk. Hun opdracht liep van 1 januari tot 31 december. De jaren werden
genoemd naar deze consuls, maar omdat hun aanstelling over twee verschillende
jaren liep was het verwarrend. Dus besloot men – althans volgens verteller-historicus
Titus Livius – om de jaartelling te laten samenvallen met de begin- en
einddatum van het consulaat. Zo werd 1 januari nieuwjaarsdag en kreeg Janus, de
god met twee gezichten, plots de opdracht terug te blikken en vooruit te
kijken. Iets wat we nog steeds doen. Januari dankt aan deze god zijn naam.

Nu, meer dan tweeduizend jaar na het Romeinse consulaat,
vieren we nog steeds Nieuwjaar op 1 januari. Zo werd een louter praktische
maatregel een tijdsgrens. En zoals elk Romeins feest later verchristelijkt
werd, vieren we op 1 januari de besnijdenis van Jezus. Dit gebeurde volgens
aloud Joods gebruik op de zevende dag na de geboorte. Zo weet je nu dus ook
waarom Jezus op 25 december werd geboren, maar vieren we dit op 24 december ’s
avonds. Omdat Johannes de Doper exact een halfjaar ouder was dan Jezus besef je
nu ook waarom het Sint-Jansfeest op 24 juni gevierd wordt.

Kinderen in deze school leren beseffen dat grenzen en
overgangen relatief zijn en cultureel bepaald worden. Zo leren ze inzien dat
wat voor ons vanzelfsprekend is, dit in andere omstandigheden en culturen niet
is. Respect voor die andere culturen krijgen zij via verhalen en beeldende,
verhelderende geschiedenislessen als vanzelfsprekend mee in hun opvoeding.