Tijd voor sterke en
zwakke leerlingen
.

Als je als leerkracht je lestijd goed organiseert heb je
voldoende tijd om kinderen individueel te helpen of te begeleiden.

Een van de zwakke punten van de steinerpedagogie is echter dat
men volop inzet op klassikaal werk, dat bovendien zeer sterk geleid wordt door
de leerkracht. Maar dat kan anders en beter.

Een goede klasleerkracht weet dat hij/zij

1. een klas moet kunnen leiden;

2. kinderen individueel moet kunnen bijwerken/begeleiden;

en zo mogelijk:

3. de hele school moet kunnen boeien met een verhaal of een
les.

Er zijn dus drie niveaus waarop een leerkracht pedagogisch functioneert:

1. individueel (één op één);

2. klas;

3. school.

Hoe kun je klas en individu combineren?

1. Houd de instructie (de uitleg) kort. Maximaal 10 tot 15 minuten
(bij wereldoriëntatievakken zoals geschiedenis, aardrijkskunde, biologie,
fysica kan en mag dat wat meer of zelfs veel meer zijn).

2. Zorg dat er voldoende oefeningen klaarstaan op bord of
kopie, zodat de kinderen onmiddellijk aan het werk kunnen.

3. Ontvang onmiddellijk na de instructie de zwakke kinderen
apart. Verdeel de klas nooit in niveaugroepen. Geef hen – indien nodig – andere
opgaven, aangepast aan hun kunnen. Deze kinderen maken dus niet wat klassikaal
opgegeven is. 4. Laat tussendoor ook meer begaafde kinderen bij je komen en
geef hen andere opdrachten. Geef hen geen extra werk, maar ander werk. Zij
maken dus niet al het werk dat klassikaal opgegeven is. Beter is echter dat de
opgaven voor deze kinderen gewoon mee op het bord (of op kopie) staan en dat je
hen vraagt bepaalde oefeningen te maken en andere niet. Zeg nooit tegen deze
kinderen dat je speciaal voor hen deze oefeningen hebt voorzien.

Waarom een korte instructie?

Begaafde kinderen hebben geen nood aan een lange instructie
met klassikale oefeningen. Hoe eerder zij aan het werk kunnen, hoe beter.

Zwakke kinderen hebben ook geen nood aan een klassikale
instructie: zij verlangen een individuele uitleg en aanpak.

De meeste kinderen gaan zich snel vervelen als de klassikale
instructie (met gezamenlijke opgaven) te lang duurt. Kinderen hoeven zich op
school niet te vervelen: zij verwachten uitdagingen.

Bijkomend:

Gewoon begaafde kinderen die hulp nodig hebben bij het werk
moeten zich éérst tot andere kinderen wenden, daarna – als het echt niet anders
kan – tot de leerkracht. Maak vanaf de eerste klas de kinderen gewoon om elkaar
te helpen. Als leerkracht moet je jezelf zo veel mogelijk op de achtergrond
houden als de kinderen aan het werk zijn. Maak je onzichtbaar, de kinderen
zullen er des te beter door werken.